vrouw in de overgang die met haar hand vet in de taille vastpakt

Subcutaan, visceraal en ectopisch vet: waarom de plek van vetopslag zoveel uitmaakt

“Ik moet van mijn buikvet af.”

Het is een uitspraak die ik regelmatig hoor tijdens adviesgesprekken. Daarbij gaat de aandacht meestal vooral naar de hoeveelheid vet: hoeveel kilo moet eraf, hoeveel buikomvang is erbij gekomen, wat zegt de weegschaal?

Maar lichaamsvet is veel complexer dan dat. Voor je metabole gezondheid maakt het niet alleen uit hoeveel vet je hebt, maar vooral waar dat vet wordt opgeslagen.

Je lichaam kent verschillende soorten vetweefsel, met ieder een eigen functie. Daarnaast maakt het enorm veel uit op welke plek vet wordt opgeslagen. Vet direct onder de huid gedraagt zich heel anders dan vet rondom de buikorganen. En vet dat zich ophoopt ín organen zoals de lever of alvleesklier heeft weer heel andere gevolgen.

Dat onderscheid is belangrijk, sterker nog: het verklaart waarom iemand met een gezond gewicht toch insulineresistent kan zijn, terwijl iemand met obesitas opvallend weinig metabole problemen heeft. Om dat te begrijpen moeten we eerst terug naar de basis.


Waarom slaat het lichaam eigenlijk vet op?

Wanneer overgewicht ter sprake komt, wordt vet vaak gezien als iets wat zo snel mogelijk moet verdwijnen. Dat is eigenlijk een vreemde gedachte.

Vetweefsel is namelijk geen fout van het lichaam, maar een ingenieuze oplossing. Tijdens vrijwel de hele menselijke evolutie wisselden periodes van overvloed zich af met periodes waarin voedsel schaars was. Wie energie efficiënt kon opslaan, had een grotere kans om te overleven.

Die opslag gebeurt vooral in de vorm van triglyceriden. Dat zijn vetmoleculen die je voor een deel rechtstreeks uit voeding haalt, maar die je lichaam ook zelf kan aanmaken uit overtollige energie. Triglyceriden vormen de belangrijkste vorm waarin vet in het lichaam wordt opgeslagen, en dat is ook logisch.

Koolhydraten kunnen namelijk maar beperkt worden opgeslagen als glycogeen in lever en spieren. Die voorraad is dus relatief klein. Voor eiwitten bestaat helemaal geen aparte opslagplaats; aminozuren worden voortdurend gebruikt voor opbouw, herstel en onderhoud van lichaamsweefsels.

Vet daarentegen vormt een compacte en grote energievoorraad. Eén kilogram lichaamsvet bevat ongeveer 7.700 kilocalorieën aan opgeslagen energie. Vanuit evolutionair perspectief is vetweefsel dus geen probleem, maar een belangrijk overlevingsmechanisme.

Het probleem ontstaat pas wanneer gedurende lange tijd meer energie wordt opgeslagen dan het vetweefsel veilig kan verwerken.


Vetweefsel is een actief orgaan

Lange tijd werd vetweefsel beschouwd als een passieve opslagplaats voor overtollige energie. Inmiddels weten we dat dit beeld allang achterhaald is.

Vetweefsel is een endocrien orgaan. Dat betekent dat het voortdurend hormonen en signaalstoffen produceert die invloed hebben op onder andere de eetlust, het energieverbruik, de gevoeligheid voor insuline, het immuunsysteem en ontstekingsprocessen.

Een bekend voorbeeld is leptine, dat de hersenen informeert over de hoeveelheid opgeslagen energie en een belangrijke rol speelt bij verzadiging. Daarnaast produceert vetweefsel adiponectine, een hormoon dat juist gunstig is voor de insulinegevoeligheid en de vetverbranding.

Gezond vetweefsel is dus niet alleen opslagruimte. Het helpt actief mee om de stofwisseling in balans te houden. Pas wanneer vetcellen langdurig worden overbelast, verandert dat beeld. De vetcellen worden groter, raken minder goed doorbloed en produceren steeds meer ontstekingsbevorderende cytokinen. Tegelijkertijd daalt de productie van adiponectine. Hierdoor neemt de gevoeligheid voor insuline geleidelijk af en ontstaat laaggradige chronische ontsteking, een belangrijk kenmerk van metabole ontregeling.

Met andere woorden: vetweefsel op zichzelf is het probleem niet. Problemen ontstaan wanneer gezond vetweefsel zijn normale functie niet meer goed kan vervullen.


Wit, bruin en beige vet: verschillende functies

Niet al het vetweefsel in het lichaam is hetzelfde. Grofweg onderscheiden we drie vormen: wit vet, bruin vet en beige vet.

Het grootste deel van het vet in je lichaam bestaat uit wit vetweefsel. Wit vet slaat energie op, beschermt organen, helpt de lichaamstemperatuur op peil te houden en produceert hormonen die betrokken zijn bij de stofwisseling. Wanneer mensen zeggen dat ze “vet willen kwijtraken”, bedoelen ze vrijwel altijd overtollig wit vet.

Bruin vet heeft een andere functie. Het slaat energie niet op, maar gebruikt energie om warmte te produceren. Baby’s hebben relatief veel bruin vet om hun lichaamstemperatuur op peil te houden. Bij volwassenen is de hoeveelheid veel kleiner en bevindt het zich vooral rond de nek, sleutelbeenderen en langs de wervelkolom.

Daarnaast bestaat er beige vet: witte vetcellen die onder bepaalde omstandigheden eigenschappen van bruine vetcellen kunnen ontwikkelen.

Wetenschappelijk is dat interessant, maar voor de meeste mensen is dit niet de bepalende factor voor hun metabole gezondheid. De veel belangrijkere vraag is waar het witte vet wordt opgeslagen.


Waar wit vet wordt opgeslagen, maakt het grote verschil

Wanneer we spreken over lichaamsvet, hebben we het meestal over wit vetweefsel. Dat witte vet kan echter op verschillende plaatsen in het lichaam terechtkomen.

Globaal onderscheiden we drie belangrijke opslaglocaties: subcutaan vet, visceraal vet en ectopisch vet. Daarbij is het belangrijk om onderscheid te maken tussen het soort vetweefsel en de plek waar vet wordt opgeslagen.

Bruin en wit vet zijn verschillende soorten vetweefsel.

Subcutaan, visceraal en ectopisch verwijzen juist naar de plaats waar het witte vet wordt opgeslagen.

En juist die opslaglocatie bepaalt in belangrijke mate of vet een relatief onschuldige energiereserve blijft of een belangrijke rol gaat spelen bij het ontstaan van insulineresistentie en andere metabole aandoeningen.


Subcutaan vet: de voorkeurslocatie van het lichaam

Subcutaan vet bevindt zich direct onder de huid. Het is het vet dat je kunt vastpakken op je buik, bovenbenen, billen of bovenarmen. Wanneer iemand spreekt over “rolletjes” of “vet dat je kunt knijpen”, gaat het grotendeels om subcutaan vet.

Het klinkt misschien vreemd, maar juist deze vorm van vetopslag is vanuit metabool oogpunt de veiligste. Het lichaam probeert overtollige energie namelijk zo lang mogelijk onderhuids op te slaan. Daarvoor is vetweefsel speciaal ontworpen.

Om extra energie op te slaan kan het lichaam twee strategieën gebruiken. Bestaande vetcellen kunnen groter worden doordat ze meer triglyceriden opslaan. Dat noemen we hypertrofie. Daarnaast kunnen er nieuwe vetcellen worden aangemaakt, waardoor overtollige energie over meer vetcellen wordt verdeeld. Dat noemen we hyperplasie.

Vanuit metabool perspectief heeft die tweede strategie de voorkeur. Veel kleine vetcellen functioneren beter dan een kleiner aantal sterk vergrote vetcellen.

Naarmate vetcellen steeds verder uitzetten, raken zij minder goed doorbloed. Er ontstaat lokale zuurstoftekort, immuuncellen worden aangetrokken en de productie van ontstekingsbevorderende stoffen neemt toe. Gezond vetweefsel begint langzaam zijn beschermende functie te verliezen.

Op dat moment ontstaat een belangrijk kantelpunt: vet wordt niet ineens gevaarlijk, maar de veilige opslagcapaciteit van het lichaam begint haar grenzen te bereiken.


Kun je aan de buitenkant zien waar iemand vet opslaat?

Tot op zekere hoogte wel.

Onderhuids vet is meestal relatief zacht en goed tussen duim en vingers vast te pakken.

Visceraal vet daarentegen ligt diep in de buikholte, rondom de organen. Dat vet kun je niet vastpakken. Mensen met veel visceraal vet hebben daarom vaak een meer naar voren uitstekende, ronde en relatief stevige buik.

Toch is voorzichtigheid geboden. De meeste mensen hebben een combinatie van beide vormen. Bovendien zegt de vorm van de buik niets over de hoeveelheid ectopisch vet.

Juist dat maakt metabole gezondheid soms zo verraderlijk. Iemand kan een relatief slank postuur hebben en toch aanzienlijke hoeveelheden vet in de lever of alvleesklier hebben opgeslagen. Andersom kan iemand met duidelijk zichtbaar onderhuids vet metabool verrassend gezond zijn.

De hoeveelheid vet die je aan de buitenkant ziet, vertelt dus lang niet het hele verhaal. Daarvoor moeten we kijken naar iets dat veel minder zichtbaar is: de maximale capaciteit van het lichaam om vet veilig onderhuids op te slaan.


Iedereen heeft een persoonlijke grens voor veilige vetopslag

Waarom ontwikkelt de ene persoon al op jonge leeftijd insulineresistentie bij een relatief normaal gewicht, terwijl een ander met obesitas jarenlang een normale bloedsuiker houdt?

Die vraag hield onderzoekers jarenlang bezig.

Een belangrijk deel van het antwoord ligt in een theorie die bekendstaat als de adipose tissue expandability hypothesis. De gedachte hierachter is dat ieder mens een eigen maximale capaciteit heeft om vet veilig onderhuids op te slaan.

Je kunt het onderhuidse vetweefsel vergelijken met een magazijn: zolang er voldoende opslagruimte beschikbaar is, kan overtollige energie veilig worden opgeborgen. Pas wanneer dat magazijn zijn maximale capaciteit bereikt, ontstaat er een probleem. De energie moet immers nog steeds ergens naartoe.

Het lichaam kiest daarbij niet bewust voor een ongezonde oplossing. Integendeel: het probeert vet zo lang mogelijk veilig onderhuids op te slaan. Pas wanneer dat niet meer lukt, wordt uitgeweken naar minder geschikte opslagplaatsen.

Dat is het moment waarop de stofwisseling geleidelijk onder druk komt te staan.

Dit concept wordt ook wel de ‘personal fat threshold’ genoemd.


Niet iedereen heeft dezelfde opslagcapaciteit

De persoonlijke grens waarop vetweefsel overbelast raakt, verschilt sterk van mens tot mens. Genetische aanleg speelt daarbij een belangrijke rol, maar ook geslacht, hormonale status en afkomst hebben invloed.

Dat verklaart waarom de Body Mass Index (BMI) slechts een beperkte maat is voor metabole gezondheid. BMI zegt iets over gewicht in verhouding tot lengte, maar niets over waar vet wordt opgeslagen of hoeveel veilige opslagcapaciteit iemand nog over heeft. Daardoor kunnen twee mensen met exact dezelfde BMI een totaal verschillend metabool profiel hebben.

De één slaat overtollige energie nog grotendeels veilig onderhuids op. Bij de ander is die capaciteit al bereikt en wordt vet steeds meer rondom of zelfs in organen opgeslagen. Aan de buitenkant kunnen deze twee mensen vergelijkbaar ogen, terwijl hun stofwisseling fundamenteel verschilt.


Waarom mannen en vrouwen vet anders opslaan

Ook tussen mannen en vrouwen bestaan duidelijke verschillen in vetverdeling.

Mannen slaan gemiddeld meer vet op rondom de buikorganen. Daardoor ontwikkelen zij vaak al op jongere leeftijd een grotere hoeveelheid visceraal vet en lopen zij eerder risico op insulineresistentie en hart- en vaatziekten.

Vrouwen slaan vóór de menopauze relatief meer vet op rond de heupen, billen en bovenbenen. Oestrogeen stimuleert deze vorm van onderhuidse vetopslag. Hoewel veel vrouwen dit cosmetisch als ongewenst ervaren, is deze vetverdeling vanuit metabool oogpunt juist relatief gunstig.

Deze vetopslag heeft ook een biologische functie. Vet rond heupen, billen en bovenbenen vormt een energiereserve die evolutionair gezien belangrijk was voor vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding. Het lichaam slaat energie daar dus niet willekeurig op; deze onderhuidse vetopslag maakt deel uit van een hormonale strategie die lange tijd juist beschermend kan werken.

Na de menopauze verandert dit beeld. Door de afname van oestrogeen verschuift de vetopslag geleidelijk van heupen en bovenbenen naar de buik. Veel vrouwen merken dat hun tailleomvang toeneemt, terwijl ze voor hun gevoel nauwelijks anders zijn gaan eten.

Dat is geen gebrek aan wilskracht, maar een fysiologische verandering in de manier waarop het lichaam vet verdeelt. Deze verschuiving gaat bovendien vaak gepaard met een toename van visceraal vet en een hogere kans op insulineresistentie. Dat verklaart mede waarom metabole aandoeningen juist na de overgang veel vaker voorkomen.


Waarom afkomst invloed kan hebben op metabool risico

Dat niet iedereen dezelfde opslagcapaciteit heeft, zien we ook terug tussen verschillende bevolkingsgroepen.

Mensen met een Zuid- of Oost-Aziatische achtergrond ontwikkelen gemiddeld al bij een lagere BMI insulineresistentie, leververvetting en diabetes type 2 dan mensen van Europese afkomst. Daarom worden voor veel Aziatische populaties lagere BMI-afkapwaarden gebruikt om het risico op metabole aandoeningen in te schatten.

Een waarschijnlijke verklaring is dat de veilige onderhuidse opslagcapaciteit gemiddeld eerder wordt overschreden. Daardoor kan vet eerder terechtkomen in de lever, spieren en alvleesklier, terwijl iemand aan de buitenkant nog helemaal niet opvallend zwaar oogt.

Ook dit laat zien waarom uiterlijk en lichaamsgewicht maar een deel van het verhaal vertellen.


Wanneer veilige vetopslag niet meer lukt

Zolang het onderhuidse vetweefsel voldoende capaciteit heeft, blijft de stofwisseling meestal redelijk stabiel.

Maar wanneer bestaande vetcellen hun maximale omvang bereiken en er onvoldoende nieuwe vetcellen kunnen worden aangemaakt, verandert de situatie. Vetcellen worden minder gevoelig voor insuline, geven gemakkelijker vrije vetzuren af aan de bloedbaan en produceren meer ontstekingsbevorderende signaalstoffen.

Tegelijkertijd moet het lichaam steeds vaker uitwijken naar andere opslagplaatsen voor overtollige energie.

Die overgang verloopt meestal geleidelijk: eerst neemt vaak de hoeveelheid visceraal vet toe: vet dat zich ophoopt rondom de buikorganen. Wanneer ook die opslag onvoldoende wordt, ontstaat steeds vaker ectopische vetopslag, waarbij vet terechtkomt in organen die daar helemaal niet voor bedoeld zijn.

Juist vanaf dat moment neemt het risico op metabole ontregeling sterk toe.


Visceraal vet: veel meer dan een dikke buik

Visceraal vet bevindt zich diep in de buikholte, rondom organen zoals de darmen, lever en alvleesklier. Dat vet is metabool veel actiever dan onderhuids vet.

Een belangrijk verschil is dat visceraal vet gemakkelijker vrije vetzuren afgeeft aan de bloedbaan. Dat noemen we een hogere lipolytische activiteit.

Daar komt nog iets bij: het bloed dat afkomstig is uit het viscerale vetweefsel wordt via de poortader (vena portae) rechtstreeks naar de lever afgevoerd. Daardoor wordt de lever continu blootgesteld aan een verhoogde aanvoer van vrije vetzuren.

Dat heeft belangrijke gevolgen. De lever gaat meer triglyceriden produceren, wordt minder gevoelig voor insuline en blijft gemakkelijker glucose aanmaken. Zo kan een vicieuze cirkel ontstaan waarin insulineresistentie zichzelf steeds verder versterkt.

Visceraal vet produceert bovendien relatief veel ontstekingsbevorderende cytokinen, waaronder TNF-α en IL-6, terwijl de productie van beschermende adipokinen juist afneemt. Daarom is een toenemende buikomvang niet alleen een cosmetisch probleem, maar vaak ook een aanwijzing dat de stofwisseling onder druk begint te staan.

Toch is zelfs visceraal vet nog niet het eindstation. Er bestaat namelijk een vorm van vetopslag die nog ingrijpender gevolgen kan hebben voor de gezondheid: ectopisch vet.


Ectopisch vet: wanneer vet terechtkomt waar het niet thuishoort

Wanneer de opslagcapaciteit van het onderhuidse vetweefsel tekortschiet en ook de hoeveelheid visceraal vet blijft toenemen, moet het lichaam opnieuw uitwijken. Dat is het moment waarop ectopische vetopslag kan ontstaan.

De term ectopisch betekent letterlijk: op een plaats waar het niet thuishoort.

In dit geval gaat het om vet dat wordt opgeslagen in organen en weefsels die niet zijn ontworpen om grote hoeveelheden triglyceriden op te slaan. Denk bijvoorbeeld aan de lever, de alvleesklier, de skeletspieren en zelfs de hartspier.

In tegenstelling tot vetweefsel beschikken deze organen nauwelijks over de capaciteit om vet veilig op te slaan. Wanneer zich daar toch steeds meer vet ophoopt, raakt hun normale functie geleidelijk verstoord.

Daarmee verschilt ectopisch vet fundamenteel van onderhuids vet. Waar gezond vetweefsel juist bedoeld is om overtollige energie veilig op te slaan, vormt ectopische vetopslag een teken dat de normale opslagmogelijkheden van het lichaam zijn uitgeput.


Leververvetting: de bekendste vorm van ectopisch vet

De lever is waarschijnlijk het bekendste voorbeeld van ectopische vetopslag.

Onder normale omstandigheden bevat de lever slechts een kleine hoeveelheid vet. Bij een langdurig overschot aan energie, vaak in combinatie met insulineresistentie, kunnen triglyceriden zich echter steeds verder ophopen in de levercellen.

Dit werd lange tijd niet-alcoholische leververvetting of NAFLD genoemd. Tegenwoordig wordt steeds vaker de term MASLD gebruikt: metabolic dysfunction-associated steatotic liver disease. In het Nederlands kun je dit omschrijven als steatotische leverziekte die samenhangt met metabole ontregeling.

Hoewel leververvetting vaak lange tijd geen klachten geeft, heeft het grote gevolgen voor de stofwisseling.

Een vervette lever reageert steeds minder goed op insuline. Daardoor blijft de lever glucose produceren, zelfs wanneer daarvoor eigenlijk geen noodzaak meer bestaat. Tegelijkertijd neemt de productie van triglyceriden en VLDL-deeltjes toe, wat weer bijdraagt aan ongunstige bloedvetwaarden.

Leververvetting is daardoor niet alleen een gevolg van insulineresistentie, maar versterkt deze ook. Er ontstaat opnieuw een vicieuze cirkel.


Vet in de alvleesklier

Ook de alvleesklier kan vet gaan opslaan. Dat is vooral problematisch omdat de alvleesklier de bètacellen bevat die verantwoordelijk zijn voor de productie van insuline.

Onder invloed van langdurige vetstapeling kunnen deze cellen steeds minder goed functioneren. Ze reageren minder adequaat op stijgende bloedsuikerwaarden en produceren uiteindelijk ook minder insuline.

Bij mensen met type 2 diabetes spelen zowel insulineresistentie als een verminderde werking van de bètacellen een rol. Ectopische vetopslag in de alvleesklier lijkt een belangrijke bijdrage te leveren aan dat proces.


Vetopslag in spieren en hart

Ook skeletspieren kunnen vet gaan opslaan. Dat betekent niet alleen dat er meer vet rondom spieren aanwezig kan zijn, maar ook dat vet zich tussen en zelfs ín spiercellen kan ophopen.

Skeletspieren zijn verantwoordelijk voor een groot deel van de opname van glucose uit het bloed. Wanneer vet zich ophoopt in spiercellen, worden verschillende signaalroutes die betrokken zijn bij de werking van insuline verstoord. Daardoor reageren spieren minder goed op insuline en blijft meer glucose in de bloedbaan aanwezig.

Ook de hartspier kan ectopisch vet bevatten. Hoewel de precieze betekenis daarvan nog onderwerp van onderzoek is, weten we inmiddels dat een overmatige vetophoping de energievoorziening en de normale werking van de hartspier kan beïnvloeden.


Waarom ectopisch vet zoveel schade kan veroorzaken

Bij ectopisch vet gaat het niet alleen om de hoeveelheid vet, maar vooral om wat dat vet doet zodra het zich in een orgaan bevindt.

Vetcellen zijn gespecialiseerd in het opslaan van triglyceriden. Levercellen, spiercellen en bètacellen zijn dat niet. Wanneer deze cellen langdurig worden blootgesteld aan een overmaat aan vetzuren en vetafbraakproducten, kunnen zij beschadigd raken. Dit proces wordt ook wel lipotoxiciteit genoemd.

Lipotoxiciteit verstoort onder andere de werking van mitochondriën, verhoogt oxidatieve stress en activeert ontstekingsprocessen binnen de cel. Daardoor neemt de normale functie van het orgaan geleidelijk af.

Ectopisch vet is dus niet alleen een marker van een ontregelde stofwisseling; het draagt er actief aan bij.


Waarom de weegschaal lang niet alles vertelt

Een van de belangrijkste lessen uit dit verhaal is misschien wel dat lichaamsgewicht slechts een beperkte maat is voor metabole gezondheid.

Iemand met een BMI binnen de zogenoemde gezonde range kan zijn persoonlijke vetopslaggrens al hebben bereikt en aanzienlijke hoeveelheden vet in de lever of alvleesklier opslaan. Tegelijkertijd kan iemand met obesitas nog steeds beschikken over voldoende gezond onderhuids vetweefsel om overtollige energie relatief veilig op te slaan.

Dat betekent uiteraard niet dat ernstig overgewicht geen gezondheidsrisico vormt. Wel laat het zien waarom lichaamsgewicht alleen onvoldoende informatie geeft over de gezondheid van het metabolisme.

Daarom kijken artsen en onderzoekers steeds vaker naar andere kenmerken, zoals de tailleomvang, leververvetting, insulinegevoeligheid, bloedwaarden en de aanwezigheid van andere kenmerken van het metabool syndroom, zoals een hoge bloeddruk.


Waarom dit belangrijk is bij een keto leefstijl

Juist op dit punt wordt duidelijk waarom een goed opgebouwde keto leefstijl voor veel mensen met metabole ontregeling interessant kan zijn.

Een ketogeen voedingspatroon draait niet uitsluitend om gewichtsverlies. Het doel is vooral om de onderliggende metabole verstoring aan te pakken: hoge insuline, schommelende bloedsuiker, verhoogde triglyceriden, leververvetting en een lichaam dat moeilijk toegang krijgt tot opgeslagen vet.

Door de inname van koolhydraten sterk te beperken, daalt bij veel mensen de behoefte aan insuline. Daardoor neemt de aanmaak van nieuw vet in de lever, de novo lipogenese, af en krijgt het lichaam meer ruimte om opgeslagen vet als brandstof te gebruiken.

Onderzoek laat zien dat vooral de hoeveelheid levervet vaak al binnen enkele weken kan afnemen. Dat gebeurt regelmatig nog voordat iemand veel lichaamsgewicht is kwijtgeraakt. Dat verklaart waarom sommige mensen al vroeg verbeteringen zien in hun bloedsuikerwaarden, triglyceriden of leverwaarden, terwijl de weegschaal nog maar weinig verschil laat zien.

Dat betekent overigens niet dat een keto leefstijl een wondermiddel is of voor iedereen de juiste keuze vormt. Ook factoren als slaap, stress, beweging, genetische aanleg en hormonale veranderingen blijven een belangrijke rol spelen. Wel maakt deze kennis duidelijk waarom de focus op uitsluitend calorieën of lichaamsgewicht vaak tekortschiet.


De belangrijkste les: vetopslag gaat over locatie, niet alleen over hoeveelheid

Wanneer we het over lichaamsvet hebben, denken we vaak vooral aan wat we in de spiegel zien. Vanuit metabool perspectief is juist het minder zichtbare deel vaak veel belangrijker.

Gezond onderhuids vetweefsel is geen vijand, maar een beschermend orgaan dat overtollige energie veilig kan opslaan. Problemen ontstaan wanneer die veilige opslagcapaciteit wordt overschreden en het lichaam moet uitwijken naar visceraal en uiteindelijk ectopisch vet.

Dat verklaart waarom twee mensen met hetzelfde gewicht een totaal verschillende metabole gezondheid kunnen hebben.

De vraag is daarom niet alleen hoeveel vet iemand bij zich draagt. De veel belangrijkere vraag is: waar slaat het lichaam dat vet op?


Wil je weten hoe jouw metabole gezondheid ervoor staat?

Merk je dat je buikomvang toeneemt, je bloedsuiker of leverwaarden niet optimaal zijn, of dat afvallen steeds moeilijker wordt ondanks je inspanningen? Dan is het zinvol om verder te kijken dan alleen de cijfers op de weegschaal.

Tijdens een adviesgesprek kijken we naar jouw persoonlijke situatie, je metabole gezondheid en de factoren die mogelijk bijdragen aan jouw klachten. Op basis daarvan bespreken we of een keto leefstijl voor jou een passende en duurzame aanpak kan zijn.

Ontdek meer van Sevi Rutgrink - Keto Coaching

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder